Interview in boek Honderduit

Honderduit

Honderduit zou het levensverhaal van de twintigste eeuwse vrouw genoemd kunnen worden. Auteur Tom Weerheijm vroeg maar liefst honderd meisjes en vrouwen in Nederland naar hun persoonlijke geschiedenis, hun opvallendste karaktertrekken, hun levensvisie, hun momenten van geluk en verdriet, hun heden en verleden. Een van hen is Jale Simsek, dan 32 jaar.

Het paradijs is weg

‘Mijn ouders waren niet zo gelovig, tijdens de ramadan werd er bij ons nooit gevast. Bidden? Welnee. Ik leerde wel wat gebedjes van mijn moeder en we gingen wel eens naar de moskee. Hoewel ik het er interessant vond, merkte ik na een paar keer dat het me niets te bieden had. Mijn vader had een doodgewone baan in Izmir en was niet ambitieus. Binnen het gezin leefden we met het idee dat als er genoeg is om van te leven, is het genoeg. Mijn moeder was creatief en met een beetje geld konden we ons prima vermaken. Mijn broertje was geestelijk gehandicapt, hij had epilepsieaanvallen en was autistisch. Mijn ouders hoopten hem te genezen, maar dat was een absurde illusie.

Tijdens een dagje uit leerden ze een Duitse verpleegster kennen, die zei dat ze in Europa veel beter raad wisten met zo’n jongetje. Met die hoop zijn we toen naar Nederland gegaan. Op zijn tiende is hij overleden. Ik geloof dat het beter voor hem was. Mijn moeder zei later: “Hij is boven gelukkiger dan hier beneden in een verzorgingshuis.” Zo heeft zij zijn dood opgevangen. Als kind werden we al met de dood geconfronteerd, het was niet eng, er rustte geen taboe op, het hoorde erbij. De rituelen eromheen zijn in de moslimcultuur anders dan in bijvoorbeeld de christelijke cultuur. Iemand die overleden is, wordt thuis door de familie gewassen en het lijk blijft daar tot op de dag van de begrafenis. Daardoor heb je meer contact met degene die gestorven is.

Mijn vader werd door een Nederlandse maatschappij geworven en hij vertrok als eerste naar Nederland. Bij ons thuis was het een soort paradijs, mijn moeder was vrij emotioneel en haar kinderen mochten hun emoties ook de vrije loop laten. Ik won prijzen met schilderen en kreeg muziek- en balletlessen. Omdat het de bedoeling was dat wij later naar Nederland zouden verhuizen, leerde mijn moeder alvast Duits, want ze had gehoord dat Nederlands op Duits leek. Ze leerde de woordjes altijd hardop, dus ik stak er ook wat van op.

Inmiddels was er nog een broertje geboren en werden wij kort daarna met onze vader herenigd. In Nederland was de werkelijkheid anders, we werden geconfronteerd met de gewone dingen van het leven, zoals geld verdienen en het zoeken naar een huis. Het paradijs was weg. We vonden een woning in een volksbuurt in Schiedam, waar we de eerste Turken in de straat waren. Er woonden al wel Spaanse gastarbeiders. Ik ging naar de lagere school en dat bezorgde me een complex, want ik had mijn diploma al in Turkije behaald. Maar het heeft me wel geholpen, in een maand of zes heb ik goed Nederlands leren. spreken. In het begin werd ik wel gepest en uitgelachen om mijn uitspraak, maar dat hoort bij de kindertijd.

Met mijn vader had ik geen band meer. Ik was het levende bewijs van de tegenstellingen tussen mijn vader en moeder. Wij waren van mijn moeder gewend dat alles mocht, nu verbood mijn vader mij allerlei dingen. Die man wilde overal grip op hebben, alles werd beheerst en gecontroleerd. Ik werd getest en naar de huishoudschool gestuurd. Daar heb ik twee jaar op gezeten, de lessen kon ik makkelijk volgen en ik had snel door dat die school mij niet veel zou opleveren. Daarna ben ik naar de mavo gegaan, dat was een groot succes, ik haalde het diploma met achten en negens.

Toen kwamen de puberteitsperikelen: weglopen en blowen, de restjes van de flower power meemaken. In die periode ging ik alleen met Nederlanders om, ik verzette me tegen alles wat Turks was, want dan moest ik nadenken over wat wel en niet mocht, en daar had ik even geen zin in. Ik sloot me van mijn ouders af, vertelde ze niet wat ik buiten de deur deed. Als ze dat wilden, kwam ik wel op tijd thuis, vervulde mijn plicht en verzorgde de kleintjes. Op school ging het hartstikke goed en daar waren ze wel trots op. Ook had ik daarmee een sterk wapen in handen als ik in conflict kwam met mijn vader.

Op mijn achttiende kreeg mijn moeder borstkanker. Ze werd geopereerd, waarbij haar borst werd geamputeerd. Ik heb toen mijn school laten versloffen, ik wilde bij haar zijn. Daarna is ze weer ziek geworden. Tijdens alle etappes van borstkanker naar baarmoederkanker en leverkanker ben ik bij haar gebleven. Ik heb met de artsen gesproken over wat er met mijn moeder zou gebeuren. Het werd een hard gesprek, ze vroegen wat haar laatste wens was. Toen heb ik haar meegenomen naar Turkije. Het aardige van die ziekenhuisperiode was dat ik de kans kreeg mijn moeder op een andere manier te leren kennen. We werden vriendinnen. Ik heb goed afscheid van haar als moeder genomen, ik zou een fijne vriendin kwijtraken. Moeders verdwijnen op een gegeven ogenblik en dat moet je voor lief nemen. Zo had ze mij opgevoed, dood is een stukje van ons leven. We zijn samen naar Izmir gegaan.

Mijn vader en de kleintjes bleven in Schiedam, die wilde ik behoeden voor allerlei ellende. Ik heb de hele familie in Turkije bij elkaar geroepen en met mijn tantes heb ik mijn moeder verpleegd. Er kwamen ook veel vrienden langs, dat was een leuk cadeau voor haar. Ik had al een jaar verkering met een Turkse jongen en in die drukte ben ik ook getrouwd. Mijn moeder was blij: ‘Als jij je leven deelt met iemand die je liefhebt, dan heb ik een rustig hart en kan ik je verlaten en ben jij sterk genoeg om voor de familie op te komen.” Ik was natuurlijk geen maagd meer, maar ben wel in het wit getrouwd om mijn moeder het idee te geven dat ik een keurig getrouwde dame zou worden. Ze is bij de trouwerij geweest, maar voor het feest was ze te ziek, en toen hebben we de hele meute naar huis genomen. Zeven dagen later is ze overleden.

Mijn man was drieëntwintig toen we trouwden. We betrokken een huis in de Haagse Schilderswijk en in het weekend ging ik op en neer om mijn familie te bezoeken en om voor ze te koken. Ik werkte eerst in een bakkerij, niets voor mij met al mijn idealen. In die tijd besloot mijn vader om voorgoed naar Turkije terug te gaan. Hij vond dat nu hij er alleen voor stond, hij de kinderen beter daar kon opvoeden. Na de bakkerij werd ik administratief medewerker bij een supermarkt en was daar de enige allochtoon die niet achter de kassa zat. Ik was ook beter gebekt en dat pikten mijn collega’s niet. Vervolgens kreeg ik een baan bij een kindercentrum in Utrecht, maar ik wilde meer en heb drie jaar psychologie en management gestudeerd. Jarenlang heb ik gedoceerd op de instituten waar ik vroeger student was.

De eerste jaren in Nederland heeft mijn man in de kassen in het Westland gewerkt. Dat deed hij met plezier, hij wilde dicht bij de natuur staan en had de tijd om de dingen op een rijtje te zetten. We hadden een warme relatie, waren niet geobsedeerd door carrière en geld, we wilden veel zien en gaven ons geld uit aan reizen. Op een gegeven moment werkte ik bij het JAC in Amsterdam, waar jongeren met ingewikkelde problemen werden opgevangen. Het was een goede, harde leerschool. Ik heb er een boek over geschreven: Niet over praten. Daarnaast ben ik voor de NOS-radio gaan werken en voor een aantal Turkse bladen, waar ik over uiteenlopende onderwerpen schreef: incest, homoseksualiteit en aids en ook interviewde ik mensen als Joris Ivens en Johan Cruyff.

In de periode dat ik bij het JAC werkte, kwam ik erachter dat ik niet bij mijn man paste, dat we totaal anders waren dan we oorspronkelijk dachten. Maar ik vond dat we zo nog niet uit elkaar konden gaan. Ik heb een vaste baan voor hem gevonden wat hem zekerheid gaf, hij was niet afhankelijk van mij. We hebben veel conflicten uitgevochten om de dingen af te ronden en na twaalf jaar huwelijk zijn we gescheiden. Hij is naar Turkije teruggegaan en kort daarop is hij aan een nieuwe relatie begonnen. Dat alles gaf me een goed gevoel, ik had het netjes gedaan. Nu woon ik in de Jordaan, dat vind ik enig. Echt een buurt waarvan ik denk: hier hoor ik thuis, veel jonge mensen en studenten. Ik ben onlangs nog bij mijn vader geweest. Avonden en nachten hebben we lange gesprekken gehad, waardoor de dingen op hun plek vielen, dat voelde echt heel lekker.’